Josh of Skah Dakota


GESCHIEDENIS

De Zwitserse witte herder is een vriendelijke herdershond met volgens de standaard een voorliefde voor kinderen en vrouwen.

De witte herder is een variant van de Duitse herder, maar de kleur was begin 20e eeuw in Europa ongewenst. In Amerika ontwikkelde de fokker Ann Tracy een bloedlijn met de huidige kenmerken van de witte herder. Het dier was daarom vroeger bekend onder de naam Amerikaans-Canadese witte herder.

Sinds 2003 is de hond voorlopig erkend voor een proefperiode van 10 jaar, onder de naam Berger Blanc Suisse (Zwitserse Witte Herder; BBS). In Nederland heeft de Raad van Beheer gekozen voor de Engelstalige benaming White Swiss Shepherd Dog.

Door zijn zachtaardigheid is hij een van de herderrassen die door het FCI niet tot een werkproef verplicht zijn.

De Zwitserse witte herder is een sociale, vriendelijke hond. Het is een echte gezinshond, waarmee wel, zoals met elke herdershond, gewerkt moet worden. De rasstandaard zegt het volgende over het karakter: temperamentvol zonder nervositeit, opmerkzaam en waakzaam, soms enigszins gereserveerd tegenover vreemden, echter nooit angstig of agressief.

Het is een hond waarmee men in veel hondensporten kan beoefenen zoals flyball doggydance, ... Zoals bij alle snelgroeiende hondenrassen moet er in het eerste levensjaar van de hond extra voorzichtig worden gedaan om overbelasting van gewrichten te voorkomen. Snelle wendingen in het spel kunnen dan ook gedurende de snelle groeifase het beste worden vermeden. De Zwitserse Witte Herder is ook prima geschikt om IPO (=Politiehondentraining) mee te volgen.



RASBESCHRIJVING

De White Swiss Shepherd dog of Berger Blanc Suisse is een krachtige, goedgespierde, middelgrote stok- of langstokharige herdershond met staande oren, rechthoekig formaat, van middelzware bouw en met elegante, harmonisch vloeiende belijning.

Deze Herder is een familie- en gebruikhond met uitgesproken "kinderliefde", oplettende waker, opgewekte en gemakkelijk lerende hond.

Hoofd: Krachtig, droog en adellijk gevormd, in natuurlijke verhouding tot het lichaam staand. Van boven en van opzij gezien wigvormig tot de neus toe smaller wordend.

Bovenschedel: Slechts weinig gewelfd, duidelijke doch zacht verlopende stop, schedel en neusrug in evenwijdige lijn staand, aangeduide middengroef.

Snuit Krachtig en middellang, niet langer dan de schedel

Neus: Normaal gevormd, middelgroot, zwart gewenst, wisselneus word getolereerd.

Lippen: Strak, droog, goed gesloten en zwart.

Gebit: Sterk, volledig schaargebit waarbij de tanden loodrecht in de kaak moeten staan. De gebitshelften schuiven over elkaar als de delen van een schaar.

Ogen: Middelgroot, amandelvormig, licht schuinliggend, zwart omrand en zo donker mogelijk (donkerbruin tot zwart). De uitdrukking is waakzaam en intelligent tevens helder en levendig.

Oren: (Middel)groot, hoog aangezet, goed rechtop gedragen, evenwijdig aan elkaar naar voren gericht, staand in de vorm van een langwerpige, van boven licht afgeronde driehoek.

Hals: Middellang en goed gespierd, breed aan het lichaam aangezet, geen keelhuidvorming; de elegant gewelfde neklijn loopt onafgebroken vanaf de matig hoog gedragen kop tot de schoft, de keellijn vloeiend tot het borstbeen.

Romp: Krachtig, gespierd, middellang.

Borst: Niet te breed, diep ca. de helft van de schofthoogte, tot de ellebogen reikend; ovale, ver naar achteren reikende borstkas, duidelijke voorborst.

Schoft: Vloeiend in hals en rug overgaand.

Rug: Recht en horizontaal, sterk gespierd.

Croupe: Lang en van middelmatige breedte, aanzet bij benadering horizontaal, vervolgens naar achteren langzaam afhellend.

Buik/flanken: Slanke, strakke flanken; de buiklijn loopt licht naar boven.

Staart: Rondom vol behaarde sabelstaart, naar de punt toe smaller wordend; liefst diep aangezet, tenminste tot het spronggewricht reikend, in rust sabelvormig hangend, in de beweging hoger, maar nooit boven de ruglijn.

Ledematen: Krachtig, gespierd, middelzwaar.

Voorhand: Van voren gezien recht; matig brede stand; van opzij gezien goed gehoekt, goed aansluitende ellebogen.

Onderarm: Lang, recht, pezig.

Middenvoorvoet: Stevig, licht schuingezet.

Achterhand: Van achteren gezien recht en evenwijdig, niet te breed staand, van opzij gezien voldoende gehoekt.

Bovendijbeen: Middellang met sterke bespiering.

Onderdijbeen: Middellang, schuinstaand met stevige botten en goede bespiering.

Spronggewricht: Krachtig, goed gehoekt.

Middenachtervoet: Middellang, recht, pezig, eventuele wolfsklauwtjes moeten verwijderd zijn.

Poten: Ovaal, achter iets langer dan voor; tenen dicht sluitend en goed gewelfd; stevige, zwarte voetballen; donkere nagels gewenst.

Beharing: Stok- of langstokhaar, dicht tegen het lichaam aanliggend; rijke wollige ondervacht overdekt met stugge haren; bek, snuit, oren en poten zijn korter, de nek en achterzijde poten iets langer behaard; licht golvend, hard haar is toegestaan.

Huid: Glad op de spieren liggend, donker gepigmenteerd, geen rimpelvorming.

Kleur: Wit.

Schofthoogte: reu 60-66 cm, teef 55-61 cm.

Gewicht: reu 30-40 kg, teef 25-35 kg.


This free website was made using Yola.

No HTML skills required. Build your website in minutes.

Go to www.yola.com and sign up today!

Make a free website with Yola